De papa van Patricia en Patrik werd donor na een fietsongeval

Op 19 april 2007 rijdt Willy (61) met zijn mountainbike van Nijlen naar Scherpenheuvel. Op de terugweg gaat plots een deur open van een geparkeerde wagen die langs het fietspad staat. De fiets wordt licht geraakt, maar Willy komt ongelukkig ten val. De hulpdiensten worden verwittigd. 

Willy’s vrouw en kinderen zijn op dat moment aan het werk en de politie kan hen niet meteen bereiken. “Achteraf besef je pas dat elk uur telt”, vertelt dochter Patricia, die ook in naam van haar broer Patrik spreekt. 

“Papa werd overgebracht naar UZ Leuven waar hij werd geopereerd aan zijn hoofd. Aan de telefoon kregen we te horen dat het dringend was. In Leuven stond iemand van slachtofferhulp voor ons klaar. Ik heb meteen gevraagd of papa nog leefde en ik kreeg een neutraal antwoord. Dus ik dacht dat alles in orde was. Maar dat was het niet.”

“We werden naar een wachtkamer gebracht, waar ze peilden naar papa’s gezondheid. Ik stond er niet bij stil dat die vraag verband hield met orgaandonatie. Ik leefde in de veronderstelling dat ik na de operatie gewoon met hem kon praten."

De vraag voor orgaandonatie volgde snel. Ze waren vrij zeker dat hij hersendood was, maar eerst moesten drie artsen uitsluitsel geven. Mijn broer en ik hadden nooit met papa over orgaandonatie gepraat, maar we vonden het wel goed. In België is iedereen in principe donor, dus ze hoefden eigenlijk geen toestemming te vragen. Maar als de familie weigert, wordt het ook niet gedaan.

“Vrijdagmorgen kregen we dan van de derde arts te horen dat er geen twijfel mogelijk was. Die arts heeft ook uitgelegd wat hersendood precies betekent. De bloedsomloop en ademhaling van papa werden ondersteund met machines en medicatie tot de organen verwijderd werden. Dat was wel raar, op de monitor zag je het hart duidelijk kloppen. Zijn hartslag ging telkens omhoog bij het horen van mijn stem, dus ik kon niet geloven dat hij dood was. Ik had nog altijd de hoop dat hij erdoor kwam. Blijkbaar is het gehoor het laatste wat wegvalt.”

“Toen ging het snel. Nu weet je dat de klok tikt bij orgaandonatie en dat we daarom die vraag zo vlug kregen. Ik ben bij papa gebleven tot op het moment van de operatie. Mijn enige voorwaarde was dat ze alle weefsels en organen tegelijk zouden wegnemen en dat ze mij zouden bellen als het afgelopen was. Dat heeft de transplantatiecoördinator ook gedaan ‘s nachts. Dat zijn organen met de auto waren weggebracht en niet per helikopter, was een hele geruststelling. Papa vloog niet graag.”

Papa heeft heel veel mensen kunnen helpen. Zijn lever bijvoorbeeld is in twee gedeeld en gegaan naar een vrouw van dertig en een kindje van vier. Ik zou graag contact hebben met de ontvangers, maar dat is wettelijk niet toegelaten. Ik heb wel drie anonieme dankbrieven gekregen. Het is een hele troost dat hij anderen heeft kunnen helpen. Het ongeluk had niet mogen gebeuren, maar zo is zijn dood tenminste niet nutteloos geweest.

“Elk jaar ga ik naar een bijeenkomst van navado, de vereniging voor nabestaanden van donoren. Daar heb ik eigenlijk pas vernomen wat er allemaal bij orgaandonatie komt kijken. Op zo’n bijeenkomst komt ook vaak een getransplanteerde getuigen. Telkens hoop ik stilletjes dat het iemand is die een orgaan van papa gekregen heeft.”