Regelmatig onderzoek in een transplantatiecentrum

De medische opvolging zoals hieronder beschreven, is typisch voor UZ Leuven, maar gebeurt in elk centrum op een andere manier. 

Levertransplantatie

De eerste weken na het ontslag uit het ziekenhuis moet de patiënt eenmaal per week op consultatie komen. Na enkele weken wordt dit afgebouwd naar één keer om de veertien dagen, nadien om de drie weken, eens per maand. De frequentie wordt bepaald in functie van het lichamelijk functioneren. Een consultatie bij de leverspecialist blijft levenslang noodzakelijk. 

De eerste drie maanden na het ontslag zal de patiënt opgevolgd worden door de transplantatiechirurgen. Na drie maanden wordt de patiënt verder gevolgd door de hepatologen-internisten. 

Tijdens de consultaties volgen de artsen de leverfunctie, evenals de mogelijke gevolgen van de immunosuppressieve therapie op het lichaam, nauwgezet op. Dit gebeurt aan de hand van een lichamelijk onderzoek, bloedafnames, aanpassing van medicatie, en eventuele bijkomende onderzoeken zoals een echografie of een scanner. Dit is ook het uitgerekende moment om eventuele vragen te stellen. Indien gewenst wordt de diëtist, sociaal werker, psycholoog, tranplantatiecoördinator of verpleegkundige opgeroepen.

Niertransplantatie

Na een niertransplantatie blijft een regelmatige controle van de functie van de nier noodzakelijk. De eerste drie maanden zijn de controles zeer frequent, ongeveer drie keer per twee weken. Dit is afhankelijk van het herstel. Tijdens een consultatie bij de nefroloog gebeurt er een bloedonderzoek, een urineonderzoek en een lichamelijk onderzoek. Indien nodig kan bijkomend nog gebruikgemaakt worden van echografische en andere radiologische technieken. Zodra de nierfunctie dit toelaat en de concentratie van geneesmiddelen in het bloed goed geregeld is, kunnen de consultaties afgebouwd worden. Na enkele maanden wordt de patiënt voor verdere controle teruggestuurd naar zijn vroeger nefrologisch centrum. Om deze opvolging zo goed mogelijk te laten verlopen wordt door de artsen een gemeenschappelijk computerdossier gebruikt. In het transplantatiecentrum kan men op deze manier steeds op de hoogte blijven van het verder herstel en mogelijke problemen.